06
decOpen brief aan minister Plasterk. Aflevering 5, onder het motto: vakmanschap is meesterschap
![]()
Geachte heer Plasterk, in aflevering 1 van deze open brief heb ik gereageerd op uw blijdschap dat u het geld bij elkaar had voor het verbeteren van de inkomenspositie van leerkrachten, om daarmee het beroep aantrekkelijker te maken. Hoe zeer een goed inkomen ook de aantrekkelijkheid van een beroep beïnvloedt, u vergat dat leerkrachten eerder door de inhoud van hun werk zijn gedreven, dan door geld. De aantrekkelijkheid van hun werk wordt negatief beïnvloed door de toenemende bureaucratie. U had dus wat mij betreft het geld beter daar weg kunnen halen, dan bij de studenten, hetgeen u nu heeft gedaan. Zo zou u aan twee criteria voor aantrekkelijkheid van het beroep tegelijkertijd hebben gewerkt.
In de vorige afleveringen ben ik ingegaan op de verantwoordingscultuur, kwaliteitszorg en de inrichting van de organisatie. In deze aflevering gaat het over de bureaucratisering als gevolg van de CAO en het personeelbeleid.
Nu zou je zeggen, dat personeelbeleid toch vooral gericht moet zijn op het aantrekkelijk houden van het werk van professionals en het bevorderen van vakmanschap. Maar helaas, in de CAO en in personeelbeleid van onderwijsinstellingen zijn deze niet altijd als belangrijke doelstellingen terug te vinden. Het personeelbeleid van een onderwijsinstelling, en dat zal wellicht geen verbazing wekken, is ook buitengewoon mechanistisch en tayloriaans opgezet. De CAO roept dit ook sterk op, maar er is wel degelijk regelruimte, die niet wordt benut. Zo worden allerlei personele regelingen buitengewoon bureaucratisch ingericht, met beroepszeer als gevolg. Ik geef slechts enkele van de vele voorbeelden die ik zou kunnen noemen.
Het zogenaamde (en gehate) ‘functiegebouw’ is het eerste dat hier genoemd moet worden. De herziening daarvan was vooral een bezuinigingsoperatie en de grondslagen ervan zijn niet in de discussie over de herziening meegenomen. Die grondslagen zouden aan het primaire proces van het onderwijs moeten zijn ontleend, waar vakmanschap en meesterschap essentieel is. Ergo: docenten in hogere schalen dan staffunctionarissen of leidinggevenden. Dan gebeurt er ten minste wat. Het ‘wie het weet mag het zeggen’ is echter vervangen door het ‘wie de baas is mag het zeggen’. En het functiegebouw is hier het ‘betonnen’ gevolg van.
Rouleren van docenten over onderwijstaken, staftaken, onderzoeksactiviteiten, kenniskringen en dergelijke wordt door het rigide systeem van functieschalen lastig gemaakt.
Er is in zeer veel onderwijsinstellingen een mechanistisch systeem van medewerkergesprekken gecreëerd. Resultaatgericht werken (wordt vaak RGW-cyclus genoemd), contracterings-, functionerings-, beoordelings- en ontwikkelingsgesprekken, die met even zovele formulieren gepaard gaan, zijn een doorn in het oog van veel medewerkers, maar moeten door managers nu eenmaal wel worden gevoerd. Met de bijbehorende POPpenkast van Persoonlijke OntwikkelingsPlannen, waar niets persoonlijks aan is, omdat dit aan competentiegericht personeelbeleid is gekoppeld.
U ziet hier, en ook in mijn vorige brieven, dat er een combinatie is ontstaan van verschillende betrokken partijen (hier niet de politieke bedoeld) die bureaucratie aanwakkeren: de EU, het Departement, de Tweede Kamer, de CAO-onderhandelaars en de onderwijsinstellingen zelf. Niemand, ook u niet, kan volstaan met naar anderen te wijzen. In de volgende aflevering zal ik ingaan op de gevolgen van dit alles voor het primaire proces van de onderwijsinstellingen. Wordt vervolgd.
Teun van Aken, Culemborg, 6 december 2007, t.vanaken@wxs.nl





