01
sepArnon Grunberg weet wat goed voor u is
“Zeker, ook hebzucht heeft enige regulering nodig. Maar hebzucht heeft meer voor deze wereld gedaan dan al het medelijden bij elkaar.” Arnon Grunberg spreekt ons toe in zijn mini-column in de nieuwe mini-volkskrant (“tabloid”). Het is lastig om de exacte bedoeling van Grunberg te doorgronden want de mini-column is te kort voor nuance. Je kunt menen dat er ironie in het spel is, maar afgaande op eerdere Volkskrant-schrijfsels van Grunberg lijkt dat ijdelijke hoop: Grunberg heeft niet veel op met opgeheven vingertjes en vindt moraal iets voor zielige wereldverbeteraars. Zo schrijft hij :”Moraal is weinig meer dan de voortzetting van religie zonder God, waarbij de moraalridder met ternauwernood onderdrukte wellust de plaats van God inneemt.”. Het rare is dat de column van Grunberg zelf niets anders is dan een opgeheven vingertje. Arnon vertelt ons wat wij wel en niet moeten vinden: volgens hem stellen we ons aan als we denken dat de moraal een leidend kenmerk van onze beschaving is. Het is een prachtige paradox: Grunberg geeft een waardeoordeel over moreel gedrag. Maar elk waardeoordeel over gedrag, is per definitie zelf een vorm van moreel gedrag. Sterker nog: het is verrekte moeilijk om totaal a-moreel te zijn. Het beoordelen van gebeurtenissen en gedragingen om ons heen, in termen van goed of slecht, is een automatisme. Het zit in ons ingebakken, het maakt ons tot wie we zijn. De mens is een moreel wezen, tegen wil en dank.
Met zijn uitspraak kiest Grunberg overigens , gewild of ongewild, partij in een eeuwenoude filosofische discussie. Is een handeling goed of slecht door de intentie van degene die hem uitvoert, of kun je alleen aan het resultaat afmeten of een handeling goed of slecht is? Grunberg kiest duidelijk voor de laatste — utilitaristische — opvatting zoals die ook verkondingd werd door Jeremy Bentham in de 18e eeuw.
De columnist neemt ook de laatdunkende term ‘moraalridder’ in de mond. Maar wie is hier de moraalridder is: de aangesproken lezer, of de columnist die dagelijks zijn waardeoordeel over de wereld via de voorpagina aan een half miljoen lezers aanbiedt. Natuurlijk is er de quasi-postmoderne ontsnapping ‘ik observeer slechts, ik oordeel niet.’ Maar omdat we al lang weten dat taal nooit neutraal kan zijn, en omdat alleen al de keuze welke observatie op de voorpagina moet komen ook weer een oordeel inhoudt, kunnen we die tegenwerping eenvoudig afserveren.
Je kunt je afvragen wat Grunberg precies bedoelt als hij over ‘hebzucht’ spreekt. We kunnen hem het voordeel van de twijfel gunnen en het woord neutraal interpreteren: als ik naar de bakker loop om een brood te kopen, kun je dat eventueel ook hebzucht noemen. Ik wil een brood hebben en ben bereid daar moeite voor te doen. Hebzucht als milde ambitie die zorgt dat we in beweging komen. In die betekenis is het niet moeilijk om enig begrip te voelen voor Arnons standpunt dat hebzucht veel goeds heeft gebracht. De gangbare betekenis van hebzucht in ons spraakgebruik is echter sterk negatief (zie ook Van Dale). Het gaat dan over een bovenmatige vorm van begeerte waarbij we bereid zijn niet alleen zelf offers te brengen, maar ook anderen leed toe te brengen ter bevrediging van ons grenzeloos verlangen naar meer bezit. Afgaand op de toon van de column, lijdt het geen twijfel dat het deze gangbare betekenis van hebzucht is — ook bekend van de zeven klassieke hoofdzonden – die hij vergoeilijkt. Frappant is ook het gebruik van het woord “wellustig” als negatieve aanduiding. Blijkbaar komt uit wellust minder moois voort dan uit hebzucht.
Op het 3e Rijnlandcongres in oktober, zal Moraal het centrale thema zijn. De moraal van Gordon Gecko (“greed is good“) die door Grunberg ook wordt aangehaald zal daar ongetwijfeld opduiken. De verwante bewering “hebzucht heeft meer voor deze wereld gedaan dan al het medelijden bij elkaar” is op zijn zachtst gezegd eigenaardig. De uitspraak oogt als een neutrale observatie van de gevolgen van de menselijke natuur. Maar dat is schijn. De uitspraak lijkt weliswaar de vorm te hebben van een bewering die waar of onwaar kan zijn, maar ze kan in essentie nooit meer kan zijn dan een mening over de gevolgen van menselijk handelen in de wereldgeschiedenis. Hoe zou je immers daadwerkelijk de opbrengsten van hebzucht en van medelijden kunnen optellen en vergelijken? Saillant detail is nog dat Grunberg alleen de opbrengsten van hebzucht vergelijkt met die van mededogen. Moeten we aannemen dat we de ellende die veroorzaakt is door hebzucht niet in de beoordeling moeten meenemen? Maar het is juist de orgie van geweld en onderdrukking die in de hele menselijke geschiedenis verbonden is geweest met eigenschappen als hebzucht en machtswellust. Een feitelijk en controleerbaar oordeel over de som van alle goede en kwade gevolgen van dergelijke eigenschappen is niet mogelijk. Een moreel oordeel wel.
Grunbergs uitspraak is in het gunstigste geval een ondoordachte one-liner. Die one-liner kan bovendien nooit een vrijblijvende afstandelijke observatie zijn, want hij belandt in een wereld die worstelt met de naweeën van de grootste economisch crash in 70 jaar tijd. De rol van hebzucht in dat debacle is onderwerp van fel debat en het is bijna stompzinnig om in een column op nauwelijk meer dan twitter-formaat een dergelijke oppervlakkige opmerking te dumpen die op geen enkele manier recht doet aan de inhoud van het debat over de rol van hebzucht in onze maatschappij. Grunberg verlaagt zich tot het niveau van de oprispingen van reaguurders op onderbuik-websites.
Als de Volkskrant-columnist werkelijk meent te moeten aanschurken tegen Gordon Gecko, dan hebben we een meningsverschil dat zo groot is dat discussie zinloos is. Meer dan het tegenover elkaar stellen van onverenigbare meningen is dan niet mogelijk. Daarom volgt hier mijn mening als tegengif: hebzucht leidt tot armoede, honger, wreedheid en onderdrukking. Grunberg begint zijn column met een verwijzing naar über-liberaal Bernard Mandeville (‘private vices, public virtues’). Hij zou er beter aan doen kennis te nemen van Spinoza die meende dat een mens pas echt vrij is wanneer hij geen slaaf meer is van zijn eigen verlangens.






